Vervolg Bladeren Voorafgaande Publicaties:
Een korte geschiedenis
van de rede Contact Overzichtsbladzijde
Niels Helsloot Niels Helsloot

 


Niels Helsloot, Een korte geschiedenis van de rede, Stichting Neerlandistiek VU, Amsterdam en Nodus, Münster, 1998, pp. 67-72.
Hoofdstuk 11.
© 1998, 2003

 

De last van de geschiedenis

Ik heb betoogd, en hopelijk ook enigszins voelbaar gemaakt, dat de geschiedenis van de westerse rede, en vooral ook die van het wetenschappelijke denken, samenvalt met de geschiedenis van de logos. In de klassieke oudheid stond de logos voor het redelijke gesprek, en daarmee voor de eenheid die gevoeld werd wanneer in zo'n gesprek uiteenlopende stellingnames met elkaar verbonden raakten. Redelijke gesprekken droegen bij aan inzicht dat gedeeld kon worden, en dat daardoor meer en meer de indruk wekte naar een onontkoombare algemene waarheid te verwijzen. Mythen, meningen en waarnemingen vielen door hun meer persoonlijke aard buiten de logos, maar verder omvatte deze elke vorm van kennis.
   De openheid van het op kennis gerichte gesprek werd enigszins afgesloten toen de waarheid die erin ontdekt werd, opgevat begon te worden als een noodlot waaraan men zich als denkend mens maar beter niet kon proberen te onttrekken. Voor de stoïcijnen werd vorming naar de logos, vertaald als 'ratio', de basis van alle wijsheid. Die vorming werd een persoonlijke drijfveer. Doordat de logos geleidelijk aan als goddelijk werd ervaren, kon het streven zich naar de logos te vormen een christelijke invulling krijgen. Het werkte door in het streven van middeleeuwse mystici om zich met het goddelijke te verenigen (Bildung). Het gesprek met God werd persoonlijk, eerder gevoelig dan redelijk, en minder goed deelbaar met anderen. Tegenover deze ontwikkeling spande de kerk zich gedurende de hele middeleeuwen in om het eenheidsgevoel te handhaven dat de logos ook tussen mensen kon opwekken. Door het verval van het Heilige Roomse rijk, dat deze eenheid symboliseerde, bleek dat uiteindelijk niet haalbaar.
   De renaissance hield als herwaardering van de oudheid een streven in om de oorspronkelijke logos terug te vinden. Met name het humanisme probeerde terug te gaan op 'de bronnen'. Dit maakte een zekere losmaking mogelijk van de kerkelijke interpretatie van de oudheid. Binnen de kerk, en met name binnen het protestantisme, vond deze ontwikkeling haar weerslag in een onafhankelijker lezing van bijbelse bronteksten. Deze individualiserende bewegingen maakten de toegenomen verdeeldheid binnen het rijk scherp voelbaar.
   De verloren eenheid kon door verlichte wereldse heersers en denkers maar ten dele worden hersteld met een beroep op de ratio, die als gemoderniseerde logos puur menselijk werd opgevat. Het verlichte rationalisme hield daarmee een poging in tot afsluiting van het gesprek, [p. 68:] waarin de uiteenlopende standpunten al lang niet meer vreedzaam naast elkaar bestonden. Oorlogen maakten duidelijk dat tegenspraken in het menselijke denken niet redelijk waren. Toen het Heilige Roomse rijk aan het begin van de negentiende eeuw instortte, bleek ook een verlichte staat als Pruisen niet uit te kunnen sluiten dat er sterk uiteenlopende stellingnames aan de wederopbouw bijdroegen. De idealistische filosofie nam opnieuw een bovenmenselijke logos aan. De romantiek benadrukte de gevoeligheid van het moderne individu. En het humanisme streefde persoonlijke vorming naar het voorbeeld van de klassieken na (Bildung). Korte tijd kon de verlichting er niet omheen met deze uiteenlopende richtingen in gesprek te gaan.
   Aan het begin van de negentiende eeuw kwam uit deze wisselwerking de moderne (Bildungs-)universiteit voort. Daarmee herleefde een middeleeuws instituut dat van meet af aan een zekere ruimte had geboden om onafhankelijk te denken. Dit strookte met opkomende idealen over het zich vrij ontwikkelende individu dat door open onderzoek in staat zou zijn uiteenlopende waarheden tot een hogere eenheid te verbinden. Maar de wetenschappen die in de middeleeuwen aanzien hadden verworven, hadden dat ondertussen behoorlijk zien afkalven. Nu werd juist een belangrijke plaats ingeruimd voor wat traditioneel de 'kunsten' heetten. Daartoe behoorde de filologie. Deze wetenschap van de logos was als cultuur- en tekstwetenschap jarenlang de meest vooraanstaande moderne wetenschap. Via het bronnenonderzoek uit de renaissance trok ze een ononderbroken lijn naar de grote voorbeelden uit de oudheid. In eerste instantie werd de filologie dan ook gedefinieerd als oudheidkunde. Maar als zodanig moest ze vooral een bijdrage leveren aan de vorming van het persoonlijke karakter van zelfstandig denkende (en voelende) moderne mensen.
   Door haar super-moderne gerichtheid op de klassieke oudheid stelde de filologie tegenstrijdige eisen. Als voorwaarde voor eigen kennis streefde ze systematische kennis na van wat eerder door anderen gekend werd. In dit opzicht hield de moderne klassieke filologie een oneigentijdse worsteling met de logos in, die doorwerkt in alle modern-wetenschappelijke analyse en interpretatie (of in filologische termen: in alle kritiek en hermeneutiek). Steeds is er een spanning tussen de eis om zelfstandig te denken en de eis om algemene waarheid na te streven. Ik heb uitdrukkelijk laten zien hoezeer moeilijkheden om deze eisen te verbinden doorwerkten in de conflictueuze vermenging van de op het 'formele' gerichte taalfilologie met de op het 'reële' gerichte zaakfilologie. Onder de druk van het verlichte vooruitgangsstreven in de praktijk van de wetenschapsbeoefening werd de interne strijd tot een tergend pro- [p. 69:] bleem. Wetenschapsmensen konden zich daar alleen van verlossen door de historische drijfveren af te zwakken waaraan ze nu juist hun motivatie ontleenden: wetenschap werd werk.

Dit korte overzicht over de geschiedenis van de logos laat zien dat er vanuit de historische oriëntatie die negentiende-eeuwse filologen hadden, een enorme hoeveelheid verschillende, en zelfs tegenstrijdige eisen aan hen gesteld werden. Deze omspannen de vanzelfsprekendheden waarmee de filologie moest breken om tot moderne wetenschap te worden [1]. Ze kunnen als volgt worden samengevat.
   In de eerste plaats moest een verhouding worden bepaald tot de traditie waarin het begrip 'filologie' een ontwikkeling doormaakte van de platoonse invulling als 'liefde voor gesprekken' tot de negentiende-eeuwse invulling als 'oudheidkunde'. Uit de tussenliggende traditie waren diverse strijdpunten onverminderd actueel. Invullingen van filologie als verlangen om op te gaan in de Eenheid die het vele verbindt, of als erudiete 'veelwetendheid', stonden op gespannen voet met de menselijke maat, die aanleiding gaf tot zelfbeheer, institutionele organisatie en beregelde kennis. Ook was er een spanning blijven bestaan tussen gerichtheid op het formele (taal) en het reële (zaken). Deze ging vergezeld van een oriëntatie op – enerzijds – de lutherse theologie, en in toenemende mate op de taalkunde, en – anderzijds – op de filosofie, en de moderne wetenschappen die zich daarbinnen ontwikkelden (met inbegrip van niet-klassieke filologieën en opnieuw de taalkunde). Bovendien stond tegenover de klassieke voorbeeldigheid van de Grieken en Romeinen een besef van de onbereikbaarheid van de kindertijd van de mensheid; naast pogingen tot hereniging en reconstructie ontwikkelde zich een onafhankelijke 'volwassen' gevoeligheid.
   Als achtergrond voor de ontwikkeling van de filologie werkte, in de tweede plaats, ook de ontwikkeling van de wetenschap door, en met name het feit dat deze sinds de middeleeuwen meer en meer in handen van de universiteit was geraakt. Van een betrekkelijk autonome samenlevingsvorm waarin men zich op het verzamelen en overdragen van bestaande kennis richtte, had deze zich ontwikkeld tot een nauw met de maatschappelijke aspiraties van overheden verbonden instelling die naast de instandhouding van bestaande kennis de vorming van nieuwe kennis tot taak had. De universiteit was dus deel gaan uitmaken van het probleem dat zelfstandig denken tot algemene waarheid zou moeten leiden: [p. 70:] van een instelling met enige interpretatieruimte binnen een overigens – althans in principe – dogmatisch gesloten maatschappij, had ze zich ontwikkeld tot een instelling die de praktische en theoretische garanties moest bieden voor een (iets) opener maatschappij. Terwijl de neiging tot fundamentele vragen versterkt werd, maakte de toegenomen invloed van de universiteit dat grotere maatschappelijke loyaliteit werd verwacht, waarop grotere overheidscontrole werd uitgeoefend.
   In de derde plaats hield de filologie als universitaire wetenschap een opvoedings- en cultuurideaal in dat z'n hoogtepunt had in het zogenaamde Bildungsideaal. Dit hield een mengvorm in van mystieke, idealistische en humanistische waarden. Deze stonden niet alleen onderling op gespannen voet, maar nog meer met de opkomende verlichtingsidealen – al waren ze daar in een tijd van toenemende modernisering tegelijk ook onlosmakelijk mee verbonden. In de universitaire praktijk had het Bildungsideaal snel afgedaan, maar als wetenschapsideologie speelt het tot op de dag van vandaag een beslissende rol.
   Filologie, universiteit en Bildung maakten, in de vierde plaats, onderdeel uit van staten en maatschappijen die er hun directe invloed op hadden. Met name de staatsvorming en machtsuitbreiding van het verlichte militaristische Pruisen schiep politieke voorwaarden voor het prestige van de Pruisische wetenschap.
   Ten vijfde werd de ontwikkeling van de filologie als moderne wetenschap gedragen door een op Bildung gerichte laag uit de hogere burgerij, die langs deze weg (als 'geestesadel') aansluiting vond bij de in status dalende adel. De cultuur van deze stand droeg sterk bij aan de invulling van wetenschap. De protestantse godsdienst die tot deze cultuur behoorde, verwereldlijkte maar verloor daarmee amper of niet aan invloed. Wetenschap (met name de idealistische filosofie) werd tot wereldlijke religie. Ook literatuur en muziek verwereldlijkten, en werden als brandpunt van een moderne 'eredienst' bepalend voor het gezicht van de 'hogere' cultuur. Daarnaast vond er een heroriëntering plaats op de geschiedenis: aanvankelijk op de Griekse cultuur, en vervolgens ook op de (Indo-)Germaanse cultuur. Zulke oriëntatiepunten gaven invulling aan een streven naar vormgeving van een eigen identiteit. Zo'n identiteit was niet vanzelfsprekend, onder andere door de veranderende politieke omstandigheden en de verschuiving van de standenmaatschappij naar een meer op klassen gebaseerde maatschappelijke hiërarchie. Juist via haar culturele oriëntatie bracht de filologie een scherp onderscheid tot 'het volk' tot stand.

De historische motivaties voor wetenschap zijn nog steeds niet helemaal [p. 71:] weggerationaliseerd. Daardoor keren er steeds herkenbare spanningen terug: filosofie, en ook filologie, werken als vormen van liefde door in de wetenschap; het ideaal van open onderzoek werkt door in het onderzoek volgens herhaalbare methodes, en in het onderwijs in gevestigde kennis; dienstbaarheid aan de waarheid werkt door bij het vervullen van praktische beroepsdoelen die het algemene belang moeten dienen; bevlogenheid werkt door in het werk; ook kunst en levenskunst werken door in de vormgeving aan zelfs de abstractste en droogste wetenschappen; in het streven naar vooruitgang door nieuwe ontdekkingen werken de 'klassieke' grote voorbeelden inspirerend door; in het uitsluiten van tegenspraken werkt een streven door om tegendelen met elkaar te verenigen; in de vakwetenschappelijke specialisatie werkt de hoop door op vereniging van zeer uiteenlopende kennisgebieden; moeilijk deelbare persoonlijke gevoelens (mythen, meningen en waarnemingen) werken door als men zich tot algemeen deelbare redeneringen wil beperken; gerichtheid op materiële zaken werkt door in de gerichtheid op kennis zoals die in taal wordt uitgedrukt; cultuurwetenschappelijke inhoudelijkheid werkt door in de taalwetenschappelijke gerichtheid op uiterlijke vormen; ontzag voor de overlevering werkt door in redelijke reconstructies; en de noodzaak zelfstandig te denken werkt door in de meest slaafse vorm van waarheidsgetrouwheid – evenzeer als al die doorwerkingen natuurlijk omgekeerd hun invloed doen gelden.
   Hieruit blijkt dat het historische gesprek dat deze uiteenlopende motivaties verbindt, nog open is. Ze hebben alle op hun tijd hun goede redenen (hun ratio), en als zodanig kunnen ze bijdragen aan een beter begrip van de ingewikkelde samenhang van het westerse denken. Maar bovendien kunnen ze nog steeds belangrijke bijdragen leveren aan een eigentijdse invulling van de logos. Het lijkt mij veel waard om juist de verscheidenheid aan mogelijke invalshoeken te koesteren – in alle historische veelduidigheid. In het verlichtingsklimaat dat in de huidige wetenschappelijke praktijk nog steeds overheerst, lijkt het misschien op z'n plaats om te pleiten voor meer ruimte voor ontwikkelingen die teruggrijpen op het idealisme, de romantiek en het humanisme. Maar deze bewegingen kunnen niet als één blok tegenover de verlichting worden gezet, en het is niet mijn bedoeling om ze op enige manier te verheerlijken of de moderne rationalisering af te wijzen [1]. De dwangmatige zelfverzekerdheid waarmee het beroep op de rede maar al te vaak andere inzichten uitsluit, heeft overduidelijk z'n beperkingen, maar dat geldt voor elk laatste [p. 72:] woord. Alleen als we erin slagen alle uiteenlopende standpunten elk voor zich in hun waarde te laten, kan het redelijke gesprek dat ooit bij de maaltijd of op het marktplein begon om de volgende dag voortgezet te worden, ook ons nog openingen bieden. Als dat kan, is de geschiedenis van de logos misschien nog niet ten einde.

 
Begin van de bladzij

Verwijzingen
p. 69   1.   Vgl. voor de opvatting van wetenschap als een voortgaande breuk met eerdere vertogen, Helsloot en Hak 1995.
p. 711.   Durand 1979 neemt een brede terugkeer van de hermetische traditie in de menswetenschappen waar; vgl. Toulmin 1989 voor een pleidooi om terug te keren naar het humanisme van voor de godsdienstoorlogen.


Begin van de bladzij

www.nielshelsloot.nl